| Woordenlijst
* ante: voor
Vaganten: zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Vagant
|
Basistekst
Ante mare et terras et
caelum, quod tegit omnia, solum erat Chaos. Nullus adhuc sol lumina in mundo praebebat nec terra
in aere pendebat. Tandem homo
natus est: Prometheus homines ex luto finxit et Iuppiter Vulcanum iussit
De eerste mensen leefden heel gelukkig en kenden geen lijden of zware lasten. Wat in de Bijbel het Aards Paradijs wordt genoemd, was bij Grieken en Romeinen het Gouden Tijdperk, een tijd waarin de vroegere oppergod Kronos / Saturnus als een goede koning over de eerste mensen regeerde en voorspoed en vrede bracht… Sub Saturni imperio homines bene vivebant: non acies, non ira fuit, non
bella. Eo tempore homines sine oppidis legibusque vivebant; non galeas, non
gladios habebant : omnes gentes sine militibus vitam peragebant. Na het gouden tijdperk kwamen de zilveren, bronzen en ijzeren tijd: de mensen werden slechter en moesten werken om in hun leven te voorzien. Ten slotte kwam er zedenverval met geldzucht, misdaad en oorlog. Iuppiter zag zich gedwongen een vreselijk besluit te nemen: de mensheid moest vergaan en als middel hiervoor gebruikte hij het water – enorme stortbuien, maar ook het water van stromen en bronnen. Het resultaat was de totale zondvloed… Iam mare et terra
nullum discrimen habebant: omnia pontus erant et deerant quoque litora
ponto. Naar Ovidius, Metamorphoses, I, 5 – 44, 91 – 109 en 291 – 302 / Hyginus, Fabulae, CXLII en CXLIII / Tibullus, Elegiae, I, 3, 35 en 47
Vragen
Wat betekenen bijvoorbeeld volgende woorden?
Als je op het internet zoekt op basis van de woorden Ovidius + Metamorphosen zul je honderden sites ontdekken – een bewijs dat de belangstelling voor de Latijnse Oudheid nog heel levendig is. Probeer eens www.latein-pagina.de en je komt terecht op de ‘pagina domestica Latina prima mundi’ van een prachtige site van het vak Latijn van het Goethe-gymnasium in de Duitse stad Emmendingen. Klikken op ‘Ovidius’ brengt je naar de site over het eerste boek van de Metamorphoses, schitterend geïllustreerd met vele afbeeldingen van Europese kunstenaars – een bewijs dat de mythen en de andere aspecten van de Oudheid nog heel lang verder leefden in de literatuur en de kunst van de latere eeuwen (men noemt dat de ‘nawerking’ of de ‘receptie’ van de Grieks-Romeine beschaving). Grammatica
-
mare, terras, caelum, lumina, mundo, aere (r.1-2)
We onderscheiden in het Latijn o.a. volgende woordsoorten: - substantieven : terra : aarde - adjectieven : omnis : al(le) - werkwoorden : facere : maken - voorzetsels : in : in, op - bijwoorden : quoque : ook - voornaamwoorden: hic : deze - voegwoorden : et : en Sommige woorden kunnen veranderen van vorm (substantieven, adjectieven, werkwoorden, voornaamwoorden), andere zijn onveranderlijk (voorzetsels, bijwoorden, voegwoorden). Dat werkwoorden veranderen van vorm – ze worden vervoegd – vinden we ook in het Nederlands heel gewoon. Substantieven, adjectieven en voornaamwoorden ondergaan in het Nederlands (en Frans en Engels) slechts kleine veranderingen: ze kunnen bijvoorbeeld een meervoudsuitgang krijgen. In het Latijn (en in het Duits of het Grieks of het Russisch) zijn er veel meer verschillende uitgangen: men zegt dat substantieven, adjectieven en voornaamwoorden in die talen verbogen worden.
In het
vocabularium vinden we o.a. volgende substantieven:
We kunnen de Latijnse substantieven indelen in groepen, naargelang van de uitgang van die woorden in het vocabularium. We delen ze voorlopig in vier groepen in: -
substantieven op –a -
substantieven op –us -
substantieven op –um -
substantieven met allerlei uitgangen.
-
ante terras (r.1), nec terra in aere pendebat (r.2); deus terram
fecit (r.3), aquas circumdare terrae iussit (r.3) -
silvas mirantur (r.13), in silvis habitant (r.13) - homo natus est (r.4), homines bene vivebant (r.6), sine militibus (r.8).
(1)
Latijnse substantieven hebben verschillende vormen met verschillende
uitgangen; deze verschillende vormen noemen we naamvallen. Voorlopig bestuderen we er in deze les drie: . de a-verbuiging bevat alle substantieven op –a . de o-verbuiging bevat alle substantieven op –us en –um . de gemengde verbuiging bevat de substantieven met verschillende uitgangen. (3) De vorm van het substantief zoals het in het vocabularium staat is de basisnaamval: we noemen die naamval de nominatief. (4) Elke naamval heeft een bepaalde functie en drukt dus een bepaald zinsdeel uit: . de nominatief drukt het onderwerp uit . de accusatief drukt het lijdend voorwerp uit. De accusatief kan ook voorkomen na bepaalde voorzetsels, zoals ante = voor, post = na, achter, ad = naar, in = naar, propter = wegens . de ablatief staat na een aantal voorzetsels, zoals in = in, op, ex = uit, sub = onder, sine = zonder, a(b) = door, vanaf, cum = met
Opmerkingen: - de verbuigingen van gladius en donum gelijken sterk op elkaar: het zijn twee types van de o-verbuiging - de acc. enk. gaat meestal uit op –m - de abl. enk. gaat uit op een klinker.
Tum deus terram fecit (r.3) Ceteri dei alia dona ei dederunt (r.5) Per se dabat omnia terra (r.9)
In het Latijn is de woordorde veel vrijer dan in het Nederlands of andere moderne talen. Om een Latijnse zin te begrijpen kun je dan ook niet echt op de woordorde steunen: je moet vooral op de uitgangen letten, want aan die uitgangen herken je de zinsdelen en dus de betekenis van de zin. Toch is er een gebruikelijke Latijnse woordorde: onderwerp / lijdend voorwerp / persoonsvorm. Om extra de nadruk te leggen op een woord, plaatst het Latijn dat woord voorop.
Tum deus terram fecit (r.3) Homines sine oppidis legibusque vivebant (r.7) Omnes gentes sine militibus vitam peragebant (r.8)
Bij de vertaling van Latijnse substantieven gebruiken we ofwel een bepaald ofwel een onbepaald lidwoord, soms helemaal geen lidwoord, soms een bezittelijk voornaamwoord. Oefeningen
Lumen, facere, solum, in, silva, omnis, et, sub, dare, tempus, iubere, homo, tandem, deus, vita, circumdare, adhuc, mare, aeternus, -que, per, iubere.
Gentem
, gladiis, terrae, caelo, milites, tecta, mundum, gladio, aqua, hominibus,
collis. Wat moet je dus telkens doen om te weten tot welke verbuiging een woord behoort?
Terris, ponto, homo, imperiis, mundum,
donum, iram, aere, gentes, legibus, gladios, animae, hominem, mundi, colles.
Let op: sommige uitgangen kunnen in verschillende verbuigingstypes voorkomen: de uitgang –a komt zowel in de a-verbuiging als in de o-verbuiging, type donum voor – maar dan in andere naamvallen! En sommige uitgangen van de a- en o- verbuigingen komen voor als nominatief enkelvoud van woorden van de gemengde verbuiging – vermits dan heel veel uitgangen mogelijk zijn in de nom. enk. Je moet je dus weer goed afvragen wat de nom. enk. van het betrokken woord is (je moet dus goed je vocabularium kennen!) en tot welke verbuiging het substantief behoort… Terra,
dona, mundum, imperium, oppida, vita, deus, montibus, tectum, pontum, deo,
homo, collis, terris.
Voorbeeld: sol (r.2) is nom. enk. omdat het onderwerp is / terras (r.1) is acc. mv. omdat het na het voorzetsel ante + acc. staat. Caelum (r.1), mundo (r.2), terra (r.2), aere (r.2), homo (r.4), homines (r.4), mulierem (r.5), dei (r.5), dona (r.5), imperio (r.6), homines (r.6), oppidis (r.7), gentes (r.8), collem (r.12), tecta (r.12), arbore (r.13), urbes (r.14), silvis (r.14).
-
welke is de naamval van homines (r.7)?
-
Pisces in aqua capit. Leestekst
De volgende tekst bewijst dat het Latijn
nog vele eeuwen na het verdwijnen van het Romeinse Rijk (5de eeuw n.Chr.)
gesproken en geschreven werd. Zo bleef het Latijn de taal van de Kerk en ook
van het onderwijs, zeker aan de universiteiten. Toen in de Middeleeuwen de
eerste universiteiten ontstonden in Europa, was de voertaal daar het Latijn.
Vele studenten trokken van de ene universiteit naar de andere, en dit kon
gemakkelijk, aangezien het Latijn de taal van alle intellectuelen was. Deze
rondtrekkende studenten noemde men Vaganten (van het Latijn vagari = zwerven
– denk aan vagebond…). Vaak waren die studenten maar arm, en ze konden
zich dan zeker ook goed in de plaats stellen van het treurige haasje in het
volgende lied. Flet
lepus parvulus,
Wenen
/ haas / klein
clamat
altis vocibus :
roepen
/ schel / stem quid
facio hominibus,
wat?
/ ik…
/ aan de mensen quod
me captant canibus?
(om)dat
/ me / vangen
/ met honden 5.
5. Longas aures habeo,
lang
/ oor
brevem
caudem teneo ;
kort
/ staart /
hebben leves pedes habeo,
licht
/ poot magnum saltum facio.
groot
/ sprong
Caro mea dulcis est,
vlees
/ mals
/ is
10. pellis mea mollis est. Quando servi vident me, wanneer / slaaf / zien “Haasje, haasje”, vocant me. noemen Domus mea silva est; huis lectus meus durus est. bed / hard 15. Dum in aulam venio, wanneer / paleis / komen gaudet rex, sed non ego. blij zijn / koning / maar / ik Quando reges comedunt me, opeten vinum bibunt super me. wijn / drinken / over…heen Naar een Vagantenlied, Anonymus, 1574 Vragen
8. Even vooruit lopen op volgende les: . wat zou de uitgang kunnen zijn van de tegenwoordige tijd van het Latijnse werkwoord in de 1ste pers. enk. (zie regels 6-9) . en wat zou de uitgang kunnen zijn in de 3de pers.enk. (zie regels 1-2) en de 3de pers. mv. (zie regels 11-12). Verwondert je dit?
|