Woordenlijst

* ante: voor
* mare, maris (o.): zee
* et: en, ook
* terra, ae: aarde, land
* caelum, i: hemel
* qui, quae, quod: die
* tegere, o, texi, tectum: bedekken
* omnis,is,e : alle
* solum (bw.): alleen
* esse, sum, fui, -: zijn
erat: OVT van esse
Chaos: de grenzeloze lege ruimte vóór de  schepping van de aarde en de hemel
* nullus,a,um: geen
* adhuc (bw.): nog
* sol, solis (m.): zon
* lumen, minis: licht
* in + abl. (vz.): in, op
* mundus,i : wereld
* praebere, eo, bui, bitum: verschaffen
* nec (vgw.): en niet, noch
* aer, aeris: lucht
* pendere, eo, pependi, ---: hangen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Dit zou een beeld van Iuppiter kunnen zijn. Het staat in het Nationaal Museum in Athene. Wat hield hij in zijn hand?
Maar even goed had het een ... drietand kunnen zijn - van welke god is het beeld dan misschien geweest?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Vaganten: zie http://nl.wikipedia.org/wiki/Vagant 

 


Zouden de vaganten er zo uit gezien hebben?

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Basistekst

Ante mare et terras et caelum, quod tegit omnia, solum erat Chaos. Nullus adhuc sol lumina in mundo praebebat nec terra in aere pendebat.

Tum deus terram fecit et aquas circumdare terrae iussit; iussit et surgere montes.

Tandem homo natus est: Prometheus homines ex luto finxit et Iuppiter Vulcanum iussit ex luto mulierem facere, cui Minerva animam dedit; ceteri dei alia dona ei dederunt.

 

     Ante mare et terras et caelum, quod tegit omnia, solum erat Chaos.
                                                                         
OVT
     Nullus adhuc sol lumina in mundo praebebat nec terra in aere 

     pendebat.

     Tum deus terram fecit et aquas circumdare terrae iussit; iussit et

5.  surgere montes. Tandem homo natus est: Prometheus homines ex 
                                                                    
OVT                                       mv.
    
luto finxit et Iuppiter Vulcanum iussit ex luto mulierem facere, cui
                                                                                                                          
aan wie
     Minerva animam dedit; ceteri dei alia dona ei dederunt.
                                                            
mv.                    hem
                                                                                      

 



Deze Griekse vaas beeldt Prometheus en zijn broer Atlas uit.
Wie is wie? Waarom werden ze allebei door de oppergod Zeus/Iuppiter zwaar gestraft?


De god Saturnus
Waarom wordt hij vaak, zoals hier ook, afgebeeld met een kind? Wat doet hij ermee?

De eerste mensen leefden heel gelukkig en kenden geen lijden of zware lasten. Wat in de Bijbel het Aards Paradijs wordt genoemd, was bij Grieken en Romeinen het Gouden Tijdperk, een tijd waarin de vroegere oppergod Kronos / Saturnus als een goede koning over de eerste mensen regeerde en voorspoed en vrede bracht…

Sub Saturni imperio homines bene vivebant: non acies, non ira fuit, non bella. Eo tempore homines sine oppidis legibusque vivebant; non galeas, non gladios habebant : omnes gentes sine militibus vitam peragebant.
Per se dabat omnia terra contentique cibis datis erant. Ver erat aeternum et etiam inarata terra fruges ferebat.

Na het gouden tijdperk kwamen de zilveren, bronzen en ijzeren tijd: de mensen werden slechter en moesten werken om in hun leven te voorzien. Ten slotte kwam er zedenverval met geldzucht, misdaad en oorlog. Iuppiter zag  zich gedwongen een vreselijk besluit te nemen: de mensheid moest vergaan en als middel hiervoor gebruikte hij het water – enorme stortbuien, maar ook het water van stromen en bronnen. Het resultaat was de totale zondvloed…

Iam mare et terra nullum discrimen habebant: omnia pontus erant et deerant quoque litora ponto.
Hic collem occupat, alter supra fruges aut tecta villae navigat, ille
piscem in arbore capit.

Nereides sub aqua silvas urbesque mirantur, et in silvis habitant delphines.

Naar Ovidius, Metamorphoses, I, 5 – 44, 91 – 109 en 291 – 302 / Hyginus, Fabulae, CXLII en CXLIII / Tibullus, Elegiae, I, 3, 35 en 47


Afbeelding van Nereïden op een Griekse vaas.

Vragen

 

  1. De Chaos was een grenzeloze, lege en duistere ruimte. Wat was er in elk geval nog niet?

  2. Et (r.2) kan twee betekenissen hebben. Welke?

  3. De eerste vrouw kreeg de nam Pandora. In het Grieks betekent “pas” “alle”  en “dooron”  “geschenk”; wat betekent de naam Pandora dus?

  4. Het Gouden Tijdperk (r. 6 – 9) was een gelukzalige tijd! Hoe leefden de mensen toen? Wat kenden ze wel en wat kenden ze niet?

Wat betekenen bijvoorbeeld volgende woorden?

    1. non acies, non ira fuit (r. 6)

    2. sine oppidis legibusque vivebant (r. 7)

    3. non galeas, non gladios habebant (r. 7-8)

    4. per se dabat omnia terra (r.9)

    5. etiam inarata terra fruges ferebat (r.9).

  1. Iuppiter dacht er eerst aan zijn “gewone” wapen te gebruiken tegen de mensen… Wat was dat?

  2. Welke mythen uit andere beschavingen herken je in dit verhaal van Ovidius?

  3. Ovidius was een belangrijk dichter uit de eerste eeuw voor en na Chr. Hij wordt nog veel gelezen en je zult er nader mee kennis maken in je derde jaar Latijn.

Als je op het internet zoekt op basis van de woorden Ovidius + Metamorphosen zul je honderden sites ontdekken – een bewijs dat de belangstelling voor de Latijnse Oudheid nog heel levendig is.

Probeer eens www.latein-pagina.de en je komt terecht op de ‘pagina domestica Latina prima mundi’ van een prachtige site van het vak Latijn van het Goethe-gymnasium in de Duitse stad Emmendingen. Klikken op ‘Ovidius’ brengt je naar de site over het eerste boek van de Metamorphoses, schitterend geïllustreerd met vele afbeeldingen van Europese kunstenaars – een bewijs dat de mythen en de andere aspecten van de Oudheid nog heel lang verder leefden in de literatuur en de kunst van de latere eeuwen (men noemt dat de ‘nawerking’ of de ‘receptie’ van de Grieks-Romeine beschaving). 

 

Grammatica

 

  1. Woordsoorten

    1. Observeer

-  mare, terras, caelum, lumina, mundo, aere (r.1-2)

-  omnes, omnia, aeternum (r.8-9)

-  tegit, erat, praebebat, pendebat (r. 1-2)

-  ante (r.1), in (r.2), ex (r.4), sub (r.6), sine (r.8)

-  solum (r.1), tum (r.3), bene (r.6), quoque (r.10)

-  quod (r.1), ei (r.5), hic (r.11), ille (r.11)

-  et (r.1), nec (r.2).  

    1. Besluiten

 We onderscheiden in het Latijn o.a. volgende woordsoorten:

 - substantieven      : terra          : aarde

- adjectieven      : omnis      : al(le)

- werkwoorden      : facere      : maken

- voorzetsels      : in       : in, op

- bijwoorden      : quoque      : ook

- voornaamwoorden: hic       : deze

- voegwoorden      : et       : en

Sommige woorden kunnen veranderen van vorm (substantieven, adjectieven, werkwoorden, voornaamwoorden), andere zijn onveranderlijk (voorzetsels, bijwoorden, voegwoorden).

Dat werkwoorden veranderen van vorm – ze worden vervoegd – vinden we ook in het Nederlands heel gewoon.

Substantieven, adjectieven en voornaamwoorden ondergaan in het Nederlands (en Frans en Engels) slechts kleine veranderingen: ze kunnen bijvoorbeeld een meervoudsuitgang krijgen. In het Latijn (en in het Duits of het Grieks of het Russisch) zijn er veel meer verschillende uitgangen: men zegt dat substantieven, adjectieven en voornaamwoorden in die talen verbogen worden.

 

  1.   De indeling van de Latijnse substantieven

    1. Observeer

In het vocabularium vinden we o.a. volgende substantieven:

-  terra, ira, vita, villa, silva
-  mundus, deus, Vulcanus, gladius, pontus
-  caelum, donum, imperium, bellum, oppidum
-  mare, sol, lumen, aer, mons, homo, mulier, tempus, lex, gens, miles. 

    1. Besluiten

We kunnen de Latijnse substantieven indelen in groepen, naargelang van de uitgang van die woorden in het vocabularium.

We delen ze voorlopig in vier groepen in:

-  substantieven op –a

-  substantieven op –us

-  substantieven op –um

-  substantieven met allerlei uitgangen.

  

  1. De verbuiging van de substantieven – de functie van de naamvallen

    1. Observeer

-  ante terras (r.1), nec terra in aere pendebat (r.2); deus terram fecit (r.3), aquas circumdare terrae iussit (r.3)

-  silvas mirantur (r.13), in silvis habitant (r.13)

-  homo natus est (r.4), homines bene vivebant (r.6), sine militibus (r.8). 

    1. Besluiten

(1) Latijnse substantieven hebben verschillende vormen met verschillende uitgangen; deze verschillende vormen noemen we naamvallen.

Er zijn zes naamvallen, elk met een enkelvoud en meervoud.

Deze naamvallen vormen samen de verbuiging; we zeggen dus dat een substantief verbogen wordt. 

(2) Vermits er verschillende groepen substantieven zijn, naargelang van hun uitgang in het vocabularium, zijn er dus ook verschillende verbuigingen.

In het Latijn zijn er vijf verbuigingen.

Voorlopig bestuderen we er in deze les drie:

. de a-verbuiging bevat alle substantieven op –a

. de o-verbuiging bevat alle substantieven op –us en –um

. de gemengde verbuiging bevat de substantieven met verschillende uitgangen.

(3) De vorm van het substantief zoals het in het vocabularium staat is de basisnaamval: we noemen die naamval de nominatief.

(4) Elke naamval heeft een bepaalde functie en drukt dus een bepaald zinsdeel uit:

. de nominatief drukt het onderwerp uit

. de accusatief drukt het lijdend voorwerp uit. De accusatief kan ook voorkomen na bepaalde voorzetsels, zoals ante = voor, post = na, achter,  ad = naar, in = naar, propter = wegens

. de ablatief staat na een aantal voorzetsels, zoals in = in, op, ex = uit, sub = onder, sine = zonder, a(b) = door, vanaf, cum = met

  1. Overzicht van de a-verbuiging, de o-verbuiging en de gemengde verbuiging

 

 

TERRA

GLADIUS

DONUM

LEX

Nom. enk.

Acc. enk.

Abl. enk.

terr- a

terr- am

terr- a

gladi- us

gladi- um

gladi- o

don- um

don- um

don- o

lex

leg- em

leg- e

Nom. mv.

Acc. mv.

Abl. mv.

terr- ae

terr- as

terr- is

gladi- i

gladi- os

gladi- is

don- a

don- a

don- is

leg- es

leg- es

leg- ibus

 

 Opmerkingen:

-  de verbuigingen van gladius en donum gelijken sterk op elkaar: het zijn twee types van de o-verbuiging

-  de acc. enk. gaat meestal uit op –m

-  de abl. enk. gaat uit op een klinker.

 

  1. (L) De woordorde en het belang van de uitgangen

    1. Observeer

Tum deus terram fecit (r.3)

Ceteri dei alia dona ei dederunt (r.5)

Per se dabat omnia terra (r.9)

    1. Besluiten

In het Latijn is de woordorde veel vrijer dan in het Nederlands of andere moderne talen.

Om een Latijnse zin te begrijpen kun je dan ook niet echt op de woordorde steunen: je moet vooral op de uitgangen letten, want aan die uitgangen herken je de zinsdelen en dus de betekenis van de zin.

Toch is er een gebruikelijke Latijnse woordorde: onderwerp / lijdend voorwerp / persoonsvorm.

Om extra de nadruk te leggen op een woord, plaatst het Latijn dat woord voorop.

  

  1. (V) Het Latijn heeft geen lidwoord

    1. Observeer

Tum deus terram fecit (r.3)

Homines sine oppidis legibusque vivebant (r.7)

Omnes gentes sine militibus vitam peragebant (r.8)

    1. Besluiten

Bij de vertaling van Latijnse substantieven gebruiken we ofwel een bepaald ofwel een onbepaald lidwoord, soms helemaal geen lidwoord, soms een bezittelijk voornaamwoord.

 

Oefeningen

  1. Geef de woordsoort van:

Lumen, facere, solum, in, silva, omnis, et, sub, dare, tempus, iubere, homo, tandem, deus, vita, circumdare, adhuc, mare, aeternus, -que, per, iubere.

  1. Tot welk verbuigingstype behoren volgende substantieven?

Gentem , gladiis, terrae, caelo, milites, tecta, mundum, gladio, aqua, hominibus, collis.  

Wat moet je dus telkens doen om te weten tot welke verbuiging een woord behoort?

  1. Geef naamval en getal van de volgende substantieven:

Terris, ponto, homo, imperiis, mundum, donum, iram, aere, gentes, legibus, gladios, animae, hominem, mundi, colles.

  1. Geef naamval en getal van de volgende substantieven:

Let op: sommige uitgangen kunnen in verschillende verbuigingstypes voorkomen: de uitgang –a komt zowel in de a-verbuiging als in de o-verbuiging, type donum voor – maar dan in andere naamvallen!

En sommige uitgangen van de a- en o- verbuigingen komen voor als nominatief enkelvoud van woorden van de gemengde verbuiging – vermits dan heel veel uitgangen mogelijk zijn in de nom. enk.

Je moet je dus weer goed afvragen wat de nom. enk. van het betrokken woord is (je moet dus goed je vocabularium kennen!) en tot welke verbuiging het substantief behoort…

Terra, dona, mundum, imperium, oppida, vita, deus, montibus, tectum, pontum, deo, homo, collis, terris.

  1. Verklaar de naamval van volgende substantieven uuit de basistekst:

Voorbeeld: sol (r.2) is nom. enk. omdat het onderwerp is / terras (r.1) is acc. mv. omdat het na het voorzetsel ante + acc. staat.

Caelum (r.1), mundo (r.2), terra (r.2), aere (r.2), homo (r.4), homines (r.4), mulierem (r.5), dei (r.5), dona (r.5), imperio (r.6), homines (r.6), oppidis (r.7), gentes (r.8), collem (r.12), tecta (r.12), arbore (r.13), urbes (r.14), silvis (r.14).

  1. Hoe komt het dat er een verschillend antwoord mogelijk is op volgende twee vragen?

-  welke is de naamval van homines (r.7)?
-  welke is de naamval van homines?

  1. Geef in de vertaling het verschil weer tussen:

 -  Pisces in aqua capit.
-  In arbore pisces capit.

 

Leestekst

De volgende tekst bewijst dat het Latijn nog vele eeuwen na het verdwijnen van het Romeinse Rijk (5de eeuw n.Chr.) gesproken en geschreven werd. Zo bleef het Latijn de taal van de Kerk en ook van het onderwijs, zeker aan de universiteiten. Toen in de Middeleeuwen de eerste universiteiten ontstonden in Europa, was de voertaal daar het Latijn. Vele studenten trokken van de ene universiteit naar de andere, en dit kon gemakkelijk, aangezien het Latijn de taal van alle intellectuelen was. Deze rondtrekkende studenten noemde men Vaganten (van het Latijn vagari = zwerven – denk aan vagebond…). Vaak waren die studenten maar arm, en ze konden zich dan zeker ook goed in de plaats stellen van het treurige haasje in het volgende lied. 

Flet lepus parvulus,                   

Wenen / haas / klein                              

clamat altis vocibus :                     

roepen / schel / stem

quid facio hominibus,                        

wat? / ik… / aan de mensen

quod me captant canibus?                    

(om)dat / me / vangen / met honden

5. 5. Longas aures habeo,                                     

lang / oor                

brevem caudem teneo ;                         

kort / staart / hebben

leves pedes habeo,                                    

licht / poot

magnum saltum facio.                            

groot / sprong                             

Caro  mea dulcis est,                           

vlees / mals / is                                 

10. pellis mea mollis est.

huid / mijn / zacht

Quando servi vident me,

wanneer  / slaaf  / zien  

“Haasje, haasje”, vocant me.

noemen

Domus mea silva est;

huis

lectus meus durus est.

bed / hard

15. Dum in aulam venio,

wanneer / paleis / komen

gaudet rex, sed non ego.

blij zijn / koning / maar / ik

Quando reges comedunt me,

opeten

vinum bibunt super me.

wijn / drinken / over…heen

Naar een Vagantenlied, Anonymus, 1574

 

Vragen 

  1. Uit welk Latijns woord blijkt meteen dat het hier om een klaaglied gaat?

  2. Wat verwijt het haasje aan de mensen?

  3. Welke eigenschappen van het haasje trekt de mensen zo aan? Antwoord met Latijnse zinnetjes.

  4. Hoe komt het haasje in het paleis terecht?

  5. Hoe komt het dat er in de Latijnse tekst plots enkele Nederlandse woorden staan? Wie spreekt hier? Wat kun je hieruit afleiden over de rol van het Latijn?

  6. "Gaudet rex, sed non ego" (r. 16): waarom?

  7. Nog wat spraakkunst inoefenen:

    . van welke verbuiging zijn: vocibus (r.2), aures (r.5), caudam (r.6), caro (r.9), servi (r. 11), reges (r.17)

    . verklaar de naamval van: aures (r.5), caro (r.9), servi (r.11), reges (r.17), vinum (r.18).

8. Even vooruit lopen op volgende les:

. wat zou de uitgang kunnen zijn van de tegenwoordige tijd van het Latijnse werkwoord in de 1ste pers. enk. (zie regels 6-9)

. en wat zou de uitgang kunnen zijn in de 3de pers.enk. (zie regels 1-2) en de 3de pers. mv. (zie regels 11-12). Verwondert je dit?